Beelden in beeld

De gipsen beelden in het Gymnasium Haganum

door: Freek Vos

In de volgende pagina’s wordt de gehele collectie van het Haganum beeld voor beeld besproken. Er worden geen diepgaande verhandelingen gehouden over stijl en technieken.

Dit stuk is bedoeld voor de lezer, die wil weten wie de beelden eigenlijk voorstellen, waar ze gevonden zijn, wie ze gemaakt heeft, et cetera. In sommige gevallen is het mogelijk een beeld in zijn historische context te plaatsen, bij andere kan een interessant probleem, bijvoorbeeld wat betreft identificatie of datering, kort worden behandeld.

  1. Homerus
  2. Dionysus-Plato
  3. Euripides
  4. Demosthenes
  5. Aphrodite van Melos
  6. Demeter van Knidos
  7. Agias
  8. Hermes van Praxiteles
  9. Diskobolos van Myron
  10. Socrates
  11. De kouros van Tenea
  12. Septimius Severus
  13. Pietro Mellini door Benedetto da Maiano
  14. Attisch grafreliëf
  15. Het Parthenon-fries
  16. Nike die haar sandaal aandoet
  17. Friedrich von Schiller door Johann Heinrich Dannecker
  18. Athena Velletri
  19. Deel van het fries van de Apollo-tempel van Bassai
  20. Zittende figuur uit Didyma
  21. De wagenmenner van Delphi

1. Homerus

Terug naar boven

HomerusDirect aan uw linkerhand, hoog tegen de pilaar, ‘staart’ Homerus met zijn blinde ogen voor zich uit. Homerus zou in de achtste eeuw v. Chr. geleefd hebben en de schrijver zijn van de Ilias en de Odyssee. Volgens sommige verhalen zou hij blind geweest zijn, maar hier werd al in de oudheid aan getwijfeld.

De vroegste afbeeldingen van Homerus die wij kennen stammen uit de vijfde eeuw v. Chr. De beeldhouwer kon onmogelijk geweten hebben hoe Homerus er in werkelijkheid had uitgezien en gebruikte zijn fantasie om een beeld te creëren dat paste bij de status en het imago dat Homerus in die tijd had. Het stond beeldhouwers uit latere tijd dan ook vrij om dit beeld aan te passen of zelfs een geheel nieuw ‘portret’ van Homerus te maken. Dit heeft tot gevolg gehad dat er verschillende typen Homerus-beelden bestaan.

Het type dat u hier ziet, het zogenaamde Hellenistische blinde type, is het bekendst en is ons in een veelvoud van marmeren kopieën overgeleverd. Deze zijn waarschijnlijk alle afgeleid van een Grieks origineel, dat op grond van stilislische kenmerken gedateerd wordt in de tweede eeuw v. Chr. Het exemplaar waar de buste in het Haganum een afgietsel van is, is in 1780 te Baiae in Italië gevonden en bevindt zich thans in het Brits Museum te Londen.


2. Dionysus-Plato

Terug naar boven

Terwijl u zojuist voor Homerus stond, keek van rechts Dionysus op u neer. Het bronzen origineel is gevonden in Villa dei Papiri in Herculaneum en bevindt zich thans in het Museo Nazionale in Napels. Het wordt gedateerd rond 50 v. Chr. en is op zijn beurt een kopie van een Grieks origineel.

Bij de vondst van deze buste dacht men aanvankelijk dat het om een portret van Plato ging, vanwege de serene gelaatsuitdrukking, maar tegenwoordig is men van mening dat het gaat om een afbeelding van de god Dionysus. Dit type afbeelding zou het resultaat kunnen zijn van een vermenging van de afbeeldingsstijlen van Dionysus en Plato en wordt daarom ook wel een Dionysus-Plato genoemd.


3. Euripides

Terug naar boven

EuripidesIn de hoek van de aula, rechts van de trap, hangt de buste van Euripides, de Griekse tragedieschrijver (ong. 485-406). In totaal zijn 28 portretten van Euripides bekend, alle Romeinse kopieen. Het beeld in het Haganum is een afgietsel van één van deze kopieën, een marmeren buste die zich in het Palazzo Ducale te Mantova bevindt. We weten dat dit Euripides moet voostellen omdat op een aantal van dez portretten een inscriptie met zijn naam staat.

Alle bewaarde portretten een inscriptie met zijn naam staat. Alle bewaarde portretten gaan terug op hetzelfde Griekse origineel, dat helaas niet bewaard is gebleven. Uit het werk van Pausanias weten we dat rond 340-330 v. Chr. Lykourgos een beeld van Euripides, samen met beelden van Iaschylos en Sophokles, in het theater van Athene liet opstellen. Aangezien deze datering goed past bij de stilistische kenmerken van de meeste kopieën, is het zeer aannemelijk dat dit beeld het Griekse origineel was, waarop alle Romeinse kopieën teruggaan (de vermelding ‘naar Lysippos’ op het bordje is dus waarschijnlijk niet correct).


4. Demosthenes

Terug naar boven

DemosthenesDe eerste van de vijf beelden tussen de pilaren is dat van de Griekse redenaar Demosthenes (384-322 v. Chr.). Demosthenes was één van de beroemdste Griekse redenaars, vooral bekend door zijn redevoeringen (kata Filippou) waarinhij waarschuwde tegen de groeiende macht van het Macedonische rijk van koning Philippus, die hij als een bedreiging zag voor de onafhankelijkheid van zijn moederstad Athene en de andere Griekse stadstaten. Zijn hele leven hield hij een anti-Macedonische houding, wat hem uiteindelijk duur kwam te staan. Na de dood van Alexander de Grote (323 v. Chr.) probeerde Demosthenes de krachten van de Griekse steden tegen Macedonië te bundelen. De hierop volgende veldslag werd echter door de Macedonische generaal Antipater gewonnen. In Athene werd een Macedonisch garnizoen gevestigd en Demosthenes werd ter dood veroordeeld. Hij vluchtte naar de tempel van Poseidon op het eiland Kalaureia. Om niet in de handen van zijn achtervolgers te vallen, pleegde hij daar zelfmoord, volgens het verhaal door gif te zuigen uit het uiteinde van zijn pen, waarmee hij zo vaak tegen Macedonië had geschreven.

Op de Agora in Athene werd 42 jaar na zijn dood (280 v. Chr.) in opdracht van zijn neef Demochares een standbeeld opgericht. Het bronzen beeld was gemaakt door de beeldhouwer Polyeuktos. Het beeld is niet bewaard gebleven, maar uit de beschrijvingen van Pausanias en Plutarchus lijkt dit het origineel te zijn geweest, waarnaar de meeste Romeinse kopieën gemaakt zijn.

Behalve een groot aantal bustes zijn twee volledige kopieën bekend: één in de Vaticaanse Musea te Rome en één in de Ny Carlsberg Glyptothek te Kopenhagen. Van beide exemplaren ontbraken de handen. Bij het beeld in de Vaticaanse Musea heeft men de handen gerestaureerd. Men vermoedde dat Demosthenes oorspronkelijk een boekrol in zijn handen had. In de tuin van het Palazzo Barberini te Rome is echter een fragment gevonden, dat bestaat uit twee in elkaar gevouwen handen. Men denkt tegenwoordig dat dit afkomstig is van een derde kopie van het beeld, die verder niet bewaard is gebleven. Naar analogie hiervan heeft men de handen van het beeld te Kopenhagen aangevuld en de foutieve restauratie bij het beeld in Rome verwijderd. Het beeld in het Haganum is een kopie van de Demosthenes uit Rome en toont nog de foutief aangevulde handen.


5. Aphrodite van Melos

Terug naar boven

Aphrodite van MelosNaast Demosthenes staat misschien wel het beroemdste beeld uit de oudheid, de Aphrodite van Melos, ook wel bekend als de Venus van Milo. Het meer dan levensgrote beeld is in 1820 gevonden op het Griekse eiland Melos en bevindt zich sinds 1821 in het Louvre in Parijs. Het is een Grieks origineel uit ca. 100 v. Chr. dat is geïnspireerd door een vroeger Grieks origineel, uit de late vierde of derde eeuw v. Christus. Van dit vroegere origineel hebben wij slechts Romeinse kopieën over, waarvan de bekendste de Aphrodite van Capua is.

De beide armen van de Aphrodite van Melos ontbreken. Bij het beeld zijn twee losse armen en een hand gevonden, maar het is onzeker of deze fragmenten bij het beeld horen. Een eveneens bij het beeld gevonden deel van een voetstuk is heden ten dage onvindbaar. We weten uit beschrijvingen dat het een inscriptie bevatte waarin de naam van de beeldhouwer vermeld werd: ‘…andros, zoon van Menides, van (-Ant-)iochie aan de Meander heeft dit gemaakt’.


6. Demeter van Knidos

Terug naar boven

Demeter van KnidosIn de winter van 1857-58 deed Sir Charles Newton een opgraving bij Knidos, een plaats in het zuidwesten van Turkije, ten noordwesten van het eiland Rhodos. Hij vond daar onder andere een klein heiligdom, gewijd aan de godinnen Demeter en Persephone. Binnen de omheining van dit heiligdom werd een beeld van Demeter gevonden. Het beeld bevindt zich thans het Brits Museum in Londen. Het beeld wordt gedateerd rond 340 v. Chr. en wordt door sommigen toegeschreven aan de beeldhouwer Leochares. Het hoofd, dat los werd gevonden, is uitgevoerd in een apart stuk marmer, dat zeer fijn gepolijst is, wat een mooi contrast geeft met de wat ruwere bewerking van de kleding. Helaas is dit effect bij een gipskopie niet terug te vinden.


7. Agias

Terug naar boven

AgiasNaast de zittende Demeter staat een beeld van een naakte jongeman. Het is gevonden in Delphi en maakte deel uit van een groep van negen beelden, die rond 338-334 v. Chr. als wijgeschenk voor Apollo was opgezet door Daochos II, een Thessalisch staatsman. Fragmenten van acht beelden zijn teruggevonden en bevinden zich in het museum van Delphi.

De beelden waren geplaatst op voetstukken, waarop door middel van inscripties vermeld was, wie ze voorstelden. Van links naar rechts waren dat de zoon van Daochos II, Sisiphos II, Daochos II zelf, zijn vader, Sisiphos I, zijn grootvader Agias met zijn twee broers, Telemachos en Agelaos, en tenslotte zijn overgrootvader, Aknonios. De inscriptie onder het beeld van Agias vermeldt dat hij vele malen gewonnen had in het pankration, een combinatie van boksen en worstelen.

Na de vondst van de beeldengroep was in eerste instantie over de maker(s) niets bekend. Totdat de geleerde Preuner in 1900 in een reisverslag uit het begin van de 19e eeuw de beschrijving ontdekte van een tegenwoordig onvindbare antieke inscriptie uit Pharsalos, waarin de vier regels van de Agiasinscriptie bijna letterlijk voorkwamen. Bovendien kwamen in de Pharsalos-inscriptie de eerste zes letters voor van de naam van een beroemde beeldhouwer, namelijk Lysippos. In Pharsalos had dus een beeld gestaan van Agias, gemaakt door Lysippos. Een storm van discussies was het gevolg. Was de Agias van Delphi een kopie van dit beeld, of was het misschien andersom en was het beeld van Delphi zelf een origineel van Lysippos? Zo ja, was de hele beeldengroep door de meester gemaakt? De houding van de Agias was vrijwel hetzelfde als die van het beroemde beeld van Lysippos, de Apoxyomenos, de atleet die met een schraapijzer de olie en het vuil van zijn arm schraapt. De uitwerking van de anatomische details was echter verschillend. Was de Apoxyomenos misschien toch niet van Lysippos? Of wel, en de Agias niet? Welk beeld was eerder gemaakt? Enzovoorts, enzovoorts.

Tegenwoordig vindt men in vrijwel alle handboeken de theorie dat de Agias van Delphi een marmeren kopie is van een bronzen beeld uit Pharsalos, maar zeker weten doen we het natuurlijk nooit…


8. Hermes van Praxiteles

Terug naar boven

Hermes van PraxitelesHet laatste beeld dat tussen de pilaren staat is de Hermes van Praxiteles. Praxiteles, die werkte tussen 375 en 335 v. Chr., was één van de eerste beeldhouwers die zich voornamelijk concentreerde op het maken van marmeren originelen. De meeste beeldhouwers werkten hoofdzakelijk in brons. Volgens Praxiteles kon marmer, vanwege zijn speciale structuur en het feit dat het een heel klein beetje doorschijnend was, goed gebruikt worden om onbedekte huid weer te geven. Al in de oudheid werd aan zijn naam een speciale techniek van het beschilderen van marmer verbonden, waarbij de genoemde eigenschappen van marmer werden behouden. Hierbij werd de kleurstof eerst vermengd met hete was en vervolgens op het gepolijste oppervlak aangebracht.

Eén van zijn beroemde marmeren beelden was het beeld van Hermes die de kleine Dionysus op de arm droeg, dat in de Hera-tempel in Olympia stond, waar Pausanias het nog gezien heeft. In 1877 is het bij de opgravingen in Olympia gevonden. De rechterarm en de onderbenen van Hermes en het bovenlijf van Dionysos ontbraken. Gelukkig werden een voet van Hermes en het hoofdje van Dionysos drie jaar later gevonden. Het beeld is echter waarschijnlijk niet het origineel dat Pausanias gezien heeft, maar een Hellenistische kopie. Men maakt dit onder andere op uit het feit dat het type sandaal van Hermes meer overeenkomt met het Hellenistische type dan met het type sandaal uit de vierde eeuw. Bovendien lijkt de wat knullige stut tussen Hermes en de boomstam en de manier waarop de mantel over deze stam is gedrapeerd niet te passen bij de laat-klassieke stijl van Praxiteles.

Tegenwoordig is het beeld grotendeels gerestaureerd. De benen en linkervoet van Hermes en de ontbrekende delen van het lichaam van Dionysos zijn aangevuld. De rechterarm en hand van Hermes, waarin hij waarschijnlijk een druiventros hield, waarnaar Dionysos zijn handjes uitstrekte, is niet aangevuld. Bij de kopie in het Haganum ontbreken de aangevulde delen en helaas ook de los gevonden originele delen, de voet van Hermes en het hoofdje van Dionysos.


9. Diskobolos van Myron

Terug naar boven

Diskobolos van MyronIn de hoek van de hal staat de beroemde discuswerper van de beeldhouwer Myron, uit ongeveer 450 v. Chr. Het bronzen origineel is helaas niet bewaard gebleven. Lucianus heeft het beeld beschreven, zodat de Romeinse kopieën geïdentificeerd konden worden.

Het beeld is eigenlijk een soort reliëf zonder achtergrond: het is slechts bedoeld om frontaal bekeken te worden. Het is een momentopname van de sporter, genomen precies op het moment tussen de ‘back-swing’ en de ‘frontswing’, het moment van rust tussen twee bewegingen. De hoog gehouden discus verwijst naar de beweging in het verleden, terwijl de gespannen spieren vooruit wijzen naar het moment van de krachtsexplosie. Het ultieme sportersbeeld, zo lijkt het…..

Probeert u echter zelf eens in de houding van de Diskobolos te gaan staan. Het blijkt een onmogelijke houding te zijn, die ook bij geen enkele wijze van discuswerpen voorkomt. Het rechterbeen van de Diskobolos kan nooit het standbeen zijn: hij zou zijn evenwicht verliezen en achterover vallen. Het knappe van dit beeld is dan ook niet het realisme, maar de suggestie ervan!

De kopie in het Haganum is een afgietsel van de Diskobolos in de Vaticaanse Musea. Het hoofd van dit beeld ontbreekt echter en is daarom afgegoten van het meer bekende exemplaar uit het Thermenmuseum te Rome. Dit is namelijk het enige exemplaar waarbij in de Romeinse tijd het originele, door Myron gemaakte hoofd zonder veranderingen is gekopieerd.


10. Socrates

Terug naar boven

In de hoek tegenover de Diskobolos hangt de buste van Socrates aan de muur. Hij was de belangrijkste filosoof uit Athene en leefde tussen 469 en 399 v. Chr. Ondanks het feit dat hij zelf geen geschriften heeft nagelaten, weten we toch veel over zijn filosofie en werkwijze. In de dialogen van Plato is Socrates namelijk de hoofdpersoon. Plato was zelf een leerling van Socrates en zijn filosofie heeft veel invloed ondergaan van Socrates’ theorieën. In de dialogen legt Plato tevens zijn eigen theorieën in de mond van Socrates en daardoor is het soms moeilijk om onderscheid te maken tussen de filosofie van Plato en die van Socrates.

Socrates hield zich bezig met het onderzoek naar de juistheid van handelen. Het enige goede was volgens hem kennis (epistèmè), het enige kwaad onwetendheid (amathia). Zijn methode bestond uit het ondervragen van mensen en het net zolang doorvragen totdat zij inzagen dat de door hen aan het begin geuite stelling niet juist was en hun eigen onwetendheid toegaven. Op deze manier zette hij vraagtekens bij een aantal vaste waarden binnen de Atheense maatschappij.

Het spreekt voor zich dat hij zich met deze manier van handelen niet altijd even geliefd maakte. In 399 v. Chr. werd hij beschuldigd van het aanbidden van vreemde goden en het bederven van de Atheense jeugd. In zijn beroemde Apologie, opgetekend door Plato, nam Socrates zoals gebruikelijk geen blad voor de mond en hij werd veroordeeld tot het drinken van de gifbeker. Hij weigerde een aanbod om een ontsnapping te organiseren en stierf na dertig dagen gevangenschap.

Er wordt weleens gezegd dat Socrates aangestuurd heeft op zijn eigen dood. Volgens I. F. Stone zou Socrates met een minder scherpe Apologie het proces gewonnen hebben. In zijn boek The Trial of Socrates schrijft Stone een Apologie, waarmee Socrates volgens hem zonder twijfel zou zijn vrijgesproken. Helaas is het niet meer mogelijk deze theorie in de praktijk te toetsen…

Diogenes Laertius vertelt dat de Atheners vrij snel spijt kregen van hun daad. De drie aanklagers van Socrates werden nu zelf aangeklaagd en veroordeeld tot verbanning en in een geval zelfs tot de dood. Vervolgens lieten de Atheners door de beeldhouwer Lysippos een bronzen beeld maken en stelden dat op een prominente plaats op. Dit beeld is, zoals gewoonlijk, niet bewaard gebleven, maar we hebben wel een groot aantal Romeinse bustes van Socrates. Deze worden verdeeld in twee typen, waarvan er één zou teruggaan op het origineel van Lysippos en het andere op een vroeger beeld, dat misschien tijdens Socrates’ leven of vlak na zijn dood door zijn vrienden is opgesteld. De twee beelden hebben nogal veel overeenkomsten. Omdat Lysippos’ carrière pas rond 370 begon, is het niet onwaarschijnlijk dat hij, daar hij Socrates niet direct kende, zijn beeld modelleerde naar het reeds bestaande beeld. Dit zou de overeenkomsten verklaren.

Het origineel van het beeld dat u hier ziet, bevindt zich in het Louvre in Parijss. Het behoort tot de groep Romeinse kopieën van het beeld van Lysippos en wordt gedateerd in de late eerste eeuw n. Chr.


11. De kouros van Tenea

Terug naar boven

De kouros van TeneaDe Archaïsche periode, ongeveer tussen 800 en 500 v. Chr., was de ‘kindertijd’ van de Griekse beeldhouwkunst. Het was de periode waarin de beeldhouwers langzaam aan leerden hoe het menselijk lichaam in marmer kon worden weergegeven. In eerste instantie ging het om pure anatomische kennis, later leerde men ook beweging of de suggestie ervan (vergelijk de diskobolos van Myron correct af te beelden.

De meest bekende categorie beelden uit deze tijd zijn de kouroi (kouroi), beelden van staande naakte jongemannen. Deze beelden werden als wijgeschenk in een tempel geplaatst of dienden als grafwachters. Ze zijn vaak in heiligdommen van Apollo gevonden, waardoor de theorie is ontstaan, dat kouroi afbeeldingen van Apollo zijn. Apollo werd immers in later tijd vaak als naakte jongeman afgebeeld. Deze theorie verklaart echter niet het voorkomen van kouroi als grafwachters. Het is dan ook aannemelijker dat de eigenschappen van de kouroi, naaktheid, jeugd en schoonheid, gewoonweg goed pasten bij Apollo, de god van onder andere de muziek, de geneeskunst en later ook de zon.

De eerste kouroi, uit het eind van de zevende eeuw v. Chr., tonen nog amper blijk van enige anatomische kennis. Het lichaam is schematisch weergegeven, de proporties kloppen niet en details zoals spieren, pezen en botten worden niet afgebeeld. In de loop van de zesde eeuw zien we een snelle ontwikkeling in de kouroi. Proporties worden beter, details worden steeds natuurlijker weergegeven en de kouroi worden langzaam menselijker. Een belangrijke verandering was het ongelijk plaatsen van de voeten, de ene voor de andere, waardoor het onderlijf niet langer compleet symmetrisch was en de mogelijkheid tot beweging werd gesuggereerd.

Op dit punt in de ontwikkeling, rond 550 v. Chr., is de kouros van Tenea te plaatsen, waarvan een kopie te vinden is onder de wenteltrap naast de hal. Het beeld is in 1846 gevonden in een grafveld bij Tenea, ongeveer zeven kilometer van Korinthe. Tegenwoordig bevindt het zich in de Glyptothek van Müchen. De proporties van het lichaam kloppen min of meer en de beeldhouwer heeft geprobeerd zowel de spieren in de armen en kuiten, als ook de botten, zoals het bekken, de schouders en de knieën, correct weer te geven. Ondanks het feit dat de voeten ongelijk zijn geplaatst maakt de kouros van Tenea nog wel een stijve indruk. De volgende grote stap in de ontwikkeling van de kouroi wordt ook pas zo’n vijftig jaar later gemaakt. Dan wordt voor het eerst de mogelijkheid tot beweging gesuggereerd, door de ongelijke plaatsing van de voeten invloed te laten hebben op de houding van andere delen van het lichaam: de voorste knie wordt licht gebogen en het bekken kantelt een beetje. Nog later komen ook de beide schouders op ongelijke hoogte te staan en is er echt sprake van een standbeen. Bij sommige beelden komt de achterste voet bijna los van de grond.

In de jaren die volgen, buit de beeldhouwer de nieuwe mogelijkheden tot beweging geheel uit, wat resulteert in beelden zoals de Diskobolos (ong. 450 v. Chr.) en ingewikkelde gevechtscomposities zoals op het fries van Bassai.


12. Septimius Severus

Terug naar boven

In de docentenkamer, schuin achter de hal, bevindt zich een schitterende buste van Septimius Severus, de Romeinse keizer die tussen 193 en 211 n. Chr. regeerde. Het origineel bevindt zich in de Glyptothek van München en is afkomstig uit de Villa Albani te Rome. Hoewel beide antiek, horen hoofd en buste niet bij elkaar, maar zijn ze in later tijd in elkaar gezet.

In de portretten van Septimius Severus zijn vier typen te onderscheiden. Dit portret van de keizer is uitgevoerd in het derde type, het zogeheten Serapistype. Serapis was een godheid wiens cultus aan het eind van de vierde eeuw v. Chr. in Alexandrië in Egypte ontstond. Hij werd afgebeeld als een volwassen man met een baard en een aantal lokken, die over zijn voorhoofd hingen.

In 199 of 200 bezocht Septimius Severus het Serapeion in Memphis en raakte geïnteresseerd in deze cultus. Hij liet zich hierna ook afbeelden, zowel op munten als in steen, met enkele kenmerken van Serapis, met name de lokken over het voorhoofd. Het Serapis-type portret komt op munten voor het eerst voor in 200/201. Het portret uit München is daarmee te dateren in het eerste decennium van de derde eeuw n. Chr.


13. Pietro Mellini door Benedetto da Maiano

Terug naar boven

Lopen we terug door de hal, in de richting van de grote trap, dan zien we links boven de conciërgekamer één van de twee niet-antieke bustes in het Haganum. Deze dateert uit de Renaissance. Pietro Mellini was een rijke koopman uit Florence en de beschermheer van de beeldhouwer Benedetto da Maiano (1442-1497). Hij was verantwoordelijk voor een aantal grote opdrachten voor Benedetto, waaronder het belangrijkste werk van de beeldhouwer, de kansel van de S. Croce in Florence.

Het beeld is direct te herkennen als niet-antiek werk. Niet alleen komt de kledij van de koopman in de oudheid niet voor, maar tevens vertoont het gelaat een realisme, dat de Griekse portretkunst geheel vreemd is. Slechts bij een klein aantal vroege Romeinse portretten (met name voorouderportretten) vinden we een dergelijk realisme terug, maar het beeld van Mellini laat zich stilistisch niet in deze periode dateren.

Het beeld draagt een inscriptie waarin de naam van de afgebeelde persoon, die van de beeldhouwer en het jaartal worden vermeld: ‘Petri. Mellini. Francisci. filii. imago hec. anno. 1474. Benedictus Maianus fecit.’


14. Attisch grafreliëf

Terug naar boven

Onderaan de grote trap naar de eerste etage hangt een kopie van een grafreliëf uit Attica. Het origineel hiervan bevindt zich in het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden en maakt deel uit van de collectie Rottiers I. Deze collectie is tussen 1810 en 1820 door kolonel B. E. A. Rottiers in het Mediterrane gebied aangekocht en in 1821 verkocht aan de Staat der Nederlanden. Sindsdien bevindt de collectie zich in het RMO.

Het grafreliëf is opgegraven in 1818, waarschijnlijk ongeveer 250 meter ten noorden van de antieke Acharnische Poort, links van de weg van Athene naar Acharnai. Op deze plaats ligt tegenwoordig het Omoniaplein. In 1819 is het reliëf door Rottiers aangekocht.

Het bovenste deel van het reliëf ontbrak en is later aangevuld. Het hoofd van de jongen was afgebroken en is weer aangezet, maar delen van de neus en de mond ontbreken.

De jongeman op het reliëf heeft een kleine vogel in zijn hand, die hij uitstrekt naar beneden. Links onder in het vlak heeft zich een hondje bevonden, dat naar de vogel hapte. Op het origineel zijn nog sporen van de staart en de voorpoten te zien. Op twee andere grafreliëfs uit het RMO is het hondje nog wel aanwezig. Het motief komt vaker voor en is waarschijnlijk te verklaren als een doodssymbool: de gestorven ziel is als een vogel die naar het dodenrijk vliegt.


15. Het Parthenon-fries

Terug naar boven

Eén van de beroemdste bouwprojecten van de oudheid was zonder twijfel het Parthenon. Deze tempel werd tussen 447 en 432 v. Chr. op de Acropolis in Athene gebouwd. Het was de bekroning van een groot bouwprogramma waarmee Athene haar grootheid in die tijd tot uitdrukking bracht.

Na de Perzische oorlogen (492-479 v. Chr.), waarin de Griekse stadstaten samen invasies van de Perzische koningen Darius en Xerxes weerstonden, werd door hen de Delische bond opgericht. Deze bond had tot doel een eventuele nieuwe aanval vanuit Perzië te voorkomen. Ze begon als een alliantie van gelijkwaardige partners, met als hoofdkwartier het heilige eiland Delos en onder leiderschap van Sparta. De deelnemers leverden schepen om een toekomstige invasievloot te kunnen weerstaan. Sparta zag echter niet veel in een militaire verplichting buiten haar eigen gebied en liet al gauw de eer aan Athene. Onder Atheens leiderschap werd het principe van gelijkwaardige partners al snel losgelaten en de Delische bond veranderde langzaam in een Atheens imperium. De kleinere steden werden overgehaald om in plaats van schepen geld bij te dragen. In 454 v. Chr. werd de kas van de bond verplaatst van Delos naar Athene. Hierna werd de vrijheid van deelnemers om uit de bond te stappen opgeheven en inde Athene de contributie.

Hierdoor had Pericles, de leidende politieke figuur van die tijd in Athene, de middelen gekregen om het bouwprogramma te financieren, waar het Parthenon deel van uitmaakte.

Parthenon-fries 1Het Parthenon-fries bevond zich aan de buitenzijde van de cella (de centrale tempelruimte) en liep geheel rondom de tempel. Het was bijna een meter hoog en 160 meter lang. Het ontwerp is waarschijnlijk door één persoon gemaakt en we mogen aannemen dat die persoon Phidias was . Hij was het artistieke brein achter het hele bouwprogramma van Pericles en de maker van het beroemde, twaalf meter hoge beeld van Athena dat in het Parthenon stond.

Op het fries staat een processie afgebeeld, die uit twee delen bestaat. Beide delen beginnen in de zuidwesthoek van de tempel. Het ene loopt langs de westkant en de noordkant, het andere langs de zuidkant. De processie bestaat uit ruiters, strijdwagens, lopende figuren en offerdieren.

Aan de oostkant komen de twee delen weer bij eikaar. Tussen de beide processies zitten de goden, de ene helft gericht naar het noorden, de andere naar het zuiden. Tussen de goden, centraal geplaatst boven de oostingang van de cella, staat een scène, waarin een man, waarschijnlijk een priester, samen met een jongetje een gewaad opvouwt.

Over wat de processie voorstelt. is veel discussie geweest, maar de meest waarschijnlijke theorie is, dat het de processie uitbeeldt, die iedere vier jaar bij het feest van de Grote Panathenaia werd gehouden. Hierbij werd een nieuw geweven gewaad, een zogeheten peplos, aan het cultusbeeld van Athena Polias (Athena in haar hoedanigheid als beschermgodin van de stad) aangeboden.

Parthenon-fries 2Het fries is niet in zijn geheel bewaard gebleven. Sommige delen werden al in de late oudheid door christenen vernield. Rond het jaar 500 n. Chr. werd het Parthenon een christelijke kerk, waardoor gelukkig veel van het fries en de architectuur gespaard bleef voor verdere vernielingen. In de 15e eeuw werd Griekenland door het Ottomaanse Rijk ingenomen en werd de tempel als moskee in gebruikgenomen. Helaas, in het jaar 1687 vond een regelrechte ramp plaats. De Venetianen belegerden het Turkse garnizoen in Athene. De Turken besloten hun voorraad buskruit in het Parthenon op te slaan, in de hoop dat de Venetianen deze kunstschat niet zouden bombarderen. Toen echter de Venetianen van een Turkse deserteur vernamen wat er gebeurd was, bombardeerden ze het Parthenon. Het buskruit ontplofte en het Parthenon veranderde in een ruïne.

In de eeuwen die volgden werden delen van het fries door buitenlandse bezoekers meegenomen. De meest bekende is de Engelsman Lord Elgin, die in 1812 een groot deel van de sculptuur van het Parthenon naar Engeland verscheepte en aan het Brits Museum verkocht. Het museum kocht in de loop van de tijd zoveel mogelijk delen van het fries uit particuliere collecties of liet er afgietsels van maken, zodat wetenschappers zich een zo compleet mogelijk beeld konden vormen van het gehele fries. Van de 160 meter is in totaal 128 meter bewaard gebleven. Er is nog steeds discussie over de juiste reconstructie van het fries, maar deze spitst zich tegenwoordig toe op de plaats van losse blokken en niet meer op de grote lijnen van de volgorde.

Parthenon-fries 3Het Haganum bezit twee verkleinde reconstructies van het fries en afgietsels van drie losse friesplaten. De reconstructies bevinden zich in de conrectorkamer, rechts naast de hal, en op de eerste etage, om het hoekje naast de grote trap. De drie losse platen bevinden zich langs de grote trap naar de eerste en tweede etage.

De zittende figuren op één van de platen (zowel langs de trap naar de eerste als naar de tweede etage) zijn enkele van de goden die afgebeeld waren op de oostzijde van de cella, van links naar rechts Poseidon, Apollo en Artemis. Deze plaat verkeert nog in goede staat, slechts een hand en de voeten van Apollo en een deel van de arm en de benen van Artemis ontbreken.

De plaat met de lopende figuren (langs de trap naar de eerste etage) bevond zich eveneens aan de oostzijde van de cella. De hoofden van de twee mannelijke figuren op deze plaat ontbreken en zijn in zijn geheel aangevuld, die van de twee vrouwelijke figuren zijn zwaar beschadigd en grotendeels aangevuld.

De plaat met de twee ruiters (langs de trap naar de tweede etage) bevond zich aan de westzijde van de cella. Dit blok is bijna geheel intact. Alleen de linker voorpoot van het paard is gedeeltelijk aangevuld. Verder zijn er kleine beschadigingen aan de voet, schouder en kin van de voorste ruiter. Probeert u de drie blokken eens terug te vinden op de verkleinde reconstructie.


16. Nike die haar sandaal aandoet

Terug naar boven

NikeDit reliëf (derde van onder langs de trap naar de eerste etage) is een deel van het fries dat was aangebracht op de buitenzijde van de balustrade van de tempel van Nike (de godin van de overwinning) op de Acropolis te Athene. Deze balustrade liep langs de zuid-, de west- en schuin langs de noordzijde en ging tenslotte een klein stukje de hoek om, richting de noordoosthoek van de tempel. Langs de oostzijde van de tempel was dus geen balustrade.

De tempel werd rond 420 v. Chr. gebouwd en maakte deel uit van het bouwprogramma van Pericles (zie het Parthenon-fries). Ook deze tempel heeft veel te lijden gehad van de Ottomaanse bezetting van Athene. De stenen ervan werden door de Turken gebruikt om de Acropolis te versterken. Nadat Griekenland haar onafhankelijkheid had verkregen, werd de tempel weer herbouwd en vond men delen van het fries. In de jaren die volgden werden diverse delen van het eens dertig meter lange fries gevonden. Helaas zijn de meeste blokken erg beschadigd. Hierdoor en door het ontbreken van blokken wordt de reconstructie erg bemoeilijkt. Het fries bevindt zich tegenwoordig in het Acropolis Museum te Athene.

Op het fries waren verschillende Nikai afgebeeld, die onder andere offerstieren naar het altaar leidden of oorlogstrofeeën ophingen. Op alle drie de zijden keek Athena, voor wie de offers en trofeeën waarschijnlijk bestemd waren, goedkeurend toe. De zogenaamde ‘Sandaalbindster’ bevond zich waarschijnlijk aan de zuidzijde van de balustrade. De wat onhandige houding (die iedereen wel kent, die ooit geprobeerd heeft een schoen aan te trekken terwijl je op één been staat) komt door de geraffineerde plooiing van de kleding niet als zodanig over. De kleding ‘kleeft’ als het ware aan de huid (dit wordt de ‘natte stijl’ genoemd) en lijkt enigszins doorschijnend, waardoor de rondingen van het lichaam op bijna sensuele wijze worden weergegeven.


17. Friedrich von Schiller door Johann Heinrich Dannecker

Terug naar boven

Het tweede niet-antieke beeld in het Haganum bevindt zich op de eerste etage, vooraan in de lange gang rechts van het trappenhuis. Friedrich von Schiller (1759-1805), de beroemde Duitse dichter/schrijver, was een goede vriend van de beeldhouwer Johann Heinrich Dannecker (1758-1841 ). Schiller had een zwakke gezondheid en in 1794, in de verwachting dat hij niet lang meer te leven had, verzocht hij Dannecker een portret van hem te maken. Dannecker was met deze opdracht en het uiteindelijke resultaat zeer ingenomen, wat blijkt uit een brief aan Schiller, geschreven na de vervaardiging van het beeld: ‘Ja, lieber Schiller, lache nur, lieber will ich sterben, und das Sterben ist so meine Sache nicht, als der Welt nicht gezeigt haben, dass, ich verdiente, dein Bild gemacht zu haben.’

Het beeld werd in eerste instantie door Dannecker in klei uitgevoerd, waarvan voor Schiller in gips een afgietsel gemaakt werd. Later zijn van het kleimodel nog veel meer afgietsels gemaakt, die over heel Duitsland verspreid zijn. Op hevig aandringen van Schiller maakte Dannecker ook een uitvoering in marmer, maar deze werd pas in 1806, een jaar na de dood van Schiller, voltooid.


18. Athena Velletri

Terug naar boven

Athena VelletriWanneer men op de tweede etage aankomt, wordt het oog direct getrokken door een meer dan drie meter hoog beeld van Athena, de zogenaamde Athena Velletri. Het origineel bevindt zich in het Louvre in Parijs. Het is een Romeinse kopie van een Grieks origineel uit ongeveer 420 v. Chr. dat in 1797 gevonden is in een villa te Velletri, het antieke Velitrae, 30 km ten zuidoosten van Rome. De handen ontbraken en zijn later aangevuld. In de uitgestoken hand hield zij oorspronkelijk een phiale, een plengschaal. Met de andere hand hield zij een speer vast. Er zijn meerdere kopieën van het Velletri-type bekend, zowel groot als klein, maar het exemplaar uit het Louvre is de meest complete en indrukwekkendste.

Het Griekse origineel wordt door sommigen aan de beeldhouwer Kresilas, door anderen aan Alkamenes toegeschreven. Alkamenes zou twee grote beelden van Hephaistos en Athena hebben gemaakt voor de tempel van Hephaistos in Athene. Er is een theorie dat deze Athena van Alkamenes het Griekse origineel van de Athena Velletri was, maar deze theorie heeft veel kritiek gekregen.


19. Deel van het fries van de Apollo-tempel van Bassai

Terug naar boven

Rechts van de Athena Velletri hangt aan de muur een deel van een fries, dat afkomstig is uit de Apollo-tempel te Bassai. Bassai ligt in het zuidwesten van Arcadië, in het midden van de Peleponnesos, ongeveer 15 km van de westkust landinwaarts. Volgens Pausanias werd de tempel voor Apollo hier gebouwd om het einde van de pestepidemie van 430-427 v. Chr. te herdenken. Dat de tempel aan Apollo werd gewijd, is niet verwonderlijk. Hij wordt vaker met de pest in verband gebracht, met als beroemdste voorbeeld het fragment uit het eerste boek van de Ilias, waarin Apollo zijn pest-verspreidende-pijlen op het Griekse kamp laat neerkomen, nadat Agamemnon Apollo’s priester Chryses had beledigd. De datering van Pausanias lijkt te kloppen, hoewel het mogelijk is dat de sculptuur van de tempel wat later, rond 400, is afgemaakt. Tegenwoordig bevinden de resten van het fries zich in het Brits Museum te Londen.

Het fries bevond zich oorspronkelijk aan de binnenzijde van de cellamuren. Hoewel alle platen bewaard zijn gebleven, is over de oorspronkelijke volgorde en plaatsing nog steeds discussie. De situatie wordt bemoeilijkt door het feit dat het fries bij ophanging in de tempel ingekort is, om het geheel passend te maken. Hierbij is zeer waarschijnlijk de door de ontwerper beoogde volgorde compleet genegeerd.

Het fries bestaat uit twee delen. Op de ene helft, na ophanging langs de west- en de noordzijde, is een centauromachie afgebeeld, het mythische gevecht tussen het volk der Lapithen en de centauren. Op de andere helft, langs de oost- en de zuidzijde, is een amazonomachie afgebeeld, het gevecht tussen de Grieken onder aanvoering van Herakles tegen de Amazonen.

Het fries is in een diep reliëf uitgevoerd (vergelijk het veel vlakker uitgevoerde Parthenon-fries). In combinatie met de soms wat drukke compositie en de wijze waarop met de diep geplooide kleding beweging wordt gesuggereerd, geeft dit een levendige voorstelling.

Het deel van het fries dat in het Haganum hangt, bevond zich in het midden van de zuidzijde en meet 180 x 63 cm. In de gipskopie zijn verschillende delen aangevuld, onder andere de hoofden van de staande Amazone en van de Griek aan de rechterkant. Van links naar rechts zijn afgebeeld: een Amazone te paard (fragmentarisch), een gevallen Griek, een staande Amazone, Herakles, herkenbaar aan de knots en het leeuwenvel, en de Amazonenkoningin die door een Griek van haar paard wordt getrokken.


20. Zittende figuur uit Didyma

Terug naar boven

Aan het eind van de gang links van de Athena Velletri, een beetje afgelegen in een hoek, staat een beeld van een zittende figuur. Dit is een kopie van één van de beelden die langs de Heilige Weg naar Didyma stonden. Deze liep van de kleine haven Panormus naar het Apollo-heiligdom. Didyma ligt een paar kilometer ten zuiden van de stad Milete, aan de westkust van Turkije.

In de 18e eeuw werden de beelden herontdekt en uit een reisverslag van 1821 weten we dat er toen nog zo’n zeventig stuks stonden. In 1857 vond de archeoloog C. T. Newton slechts tien beelden van zittende personen terug, plus twee beelden van leeuwen. Toen hij merkte dat de lokale bewoners de beelden vernielden, liet hij ze direct naar Londen verslepen, waar ze nu nog in het Brits Museum te vinden zijn. De beelden dateren uit de Archaïsche periode (zie de kouros van Tenea), en wel tussen 570 en 520 v. Chr. Ze vertonen dan ook nog niet de anatomische kennis en de souplesse van de latere beelden (zie bijvoorbeeld de schematische weergave van de tenen).

Het beeld dat u hier ziet is het bekendst, vanwege de goed leesbare inscriptie op de rechterpoot van de zetel. Er staat: ‘Ik ben Chares, zoon van Kleisis, heerser van Teichioussa, het beeld is voor Apollo’.

Uit latere teksten, onder andere tribuutlijsten van de Delische Bond (zie het Parthenon-fries) weten we dat er een Teichioussa in de buurt van Milete gelegen moet hebben, maar de exacte locatie is nog niet vastgesteld. Men vermoedt dat Chares een lokale machthebber was, die na de dood van koning Croesus van Lydië (die tot zijn dood in 546 v. Chr. de macht had over Milete en de rest van de Griekse steden in Turkije) zich tot heerser van Teichioussa uitriep. Dit komt ongeveer overeen met de datering van het beeld, 540-530 v. Chr.


21. De wagenmenner van Delphi

Terug naar boven

De wagenmenner van DelphiDe wagenmenner vinden we in het tekenlokaal op de begane grond. Het is een van de weinige originele Griekse bronzen beelden die wij over hebben. Het beeld is in 1896 gevonden bij een opgraving onder de heilige weg in Delphi en heeft tegenwoordig een eigen zaal in het museum van Delphi. Het maakte deel uit van een beeldengroep die door Polyzalos, de heerser over de stad Gela op Sicilië, was opgericht na de overwinning van zijn span in het wagenrennen tijdens de Pythische Spelen. De groep bestond uit de wagenmenner, de wagen, twee paarden en een hulpje en was geplaatst op een voetstuk. Van de paarden, de wagen en het hulpje zijn slechts fragmenten teruggevonden.

Van het voetstuk is het deel met de wij-inscriptie teruggevonden, die luidde: ‘Voor zijn overwinning in het wagenrennen heeft Polyzalos, zoon van Deinomenes, mij hier opgesteld. Wees hem gunstig gezind, glorierijke Apollo.’ Deze inscriptie is echter niet de originele. Op het blok zijn de sporen van een eerdere inscriptie zichtbaar. Deze luidde: ‘Als een gedenkteken heeft Polyzalos, koning van Gela, zoon van Deinomenes, mij hier opgesteld. Wees hem gunstig gezind, glorierijke Apollo.’ Het is niet zeker waarom de inscriptie veranderd is. Waarschijnlijk had het iets te doen met het gebruik van de titel ‘koning van Gela’. We weten dat Polyzalos problemen heeft gehad met zijn oudere broer Hieron, toen die in 476 de heerschappij over de stad Gela van Polyzalos overnam. Het is aannemelijk dat Hieron na zijn machtsovername de inscriptie liet veranderen om duidelijk te maken dat er maar één echt de baas was in Gela.

De datering van het beeld is gelukkig geen probleem. In Delphi werden namelijk lijsten bijgehouden met de namen van de winnaars van de Pythische Spelen. De naam Polyzalos komt weliswaar niet in. deze overwinnaarslijsten voor, maar de lijsten van de Pythische Spelen van 478 en 474 v. Chr. zijn niet overgeleverd. Polyzalos moet dus tijdens één van deze twee Pythische Spelen zijn overwinning hebben behaald. We weten dat hij tussen 478 en 466 aan de macht was in Gela, dus beide data zijn mogelijk. Na 476 moest Polyzalos echter zijn broer Hieron boven zich dulden. Gezien de eerste inscriptie, met het gebruik van de titel ‘koning van Gela’, lijkt het jaar 478 het meest geschikt. Het beeld zou dan rond 477 opgesteld zijn, daar het enige tijd kostte een dergelijk groot werk te vervaardigen.

Eén vraag blijft nog onbeantwoord: is de wagenmenner Polyzalos? We weten dat niet de naam van de wagenmenner, maar de naam van de eigenaar in de winnaarslijsten werd opgetekend. Bestuurde Polyzalos zijn eigen wagen? Het beeld heeft een band om zijn hoofd, waarschijnlijk een overwinnaarsband, die volgens Pausanias slechts door de eigenaar en niet door de wagenmenner mocht worden gedragen. Het is verder aannemelijk dat Polyzalos zichzelf en niet een verder onbekende wagenmenner op een monument van dit formaat liet afbeelden. De inscriptie verwijst ook alleen naar hem. Hier kan tegenin worden gebracht dat Polyzalos bij zijn overwinning ongeveer veertig jaar moet zijn geweest. De wagenmenner ziet er beduidend jonger uit. Het is echter aannemelijk dat Polyzalos zich als jongeman liet afbeelden, in een geïdealiseerd portret.


Terug naar boven

Uit: Het gebouw anno 1907, Den Haag 1997, De Nieuwe Haagsche